Nieuwsflash KB n°40 - 30.06.2020

Publicatie : 2020-06-30
Numac : 2020202861

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

26 JUNI 2020. - Koninklijk besluit nr. 40 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers

 

VERSLAG AAN DE KONING

Sire,

Het besluit waarvan ik de eer heb aan uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft als doel, op basis van de wet van 27 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), het toepassingsgebied en de toepassing in de tijd van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers aan te passen aan de recente evolutie van de lockdown maatregelen.

Het koninklijk besluit nr. 22 voorziet in maatregelen om het hoofd te bieden aan het aanzienlijk gezondheidsrisico voor de vrijwilligers van de verschillende verenigingen die op het veld werkzaam zijn en voor wie de COVID-19-besmetting niet kon worden gedekt in geval van overlijden als gevolg van een dergelijke besmetting in het kader van hun vrijwilligersactiviteit.

Het tijdelijk sui generis-schadeloosstellingsregime ingevoerd bij het koninklijk besluit nr. 22 is nu aangepast aan de opheffing, sinds 18 mei 2020 van een belangrijke reeks beperkingen die aan de bevolking waren opgelegd in het kader van de lockdown.

Deze aanpassingen hebben betrekking op twee punten:

Het eerste betreft de activiteiten die in het kader van het verenigingswerk als bedoeld bij de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie kunnen worden uitgevoerd. Aangezien de maatregelen die de uitoefening van de in artikel 3 van deze wet bedoelde activiteiten beperkten, grotendeels zijn opgeheven, is het met het oog op de gelijke behandeling van de verschillende soorten verenigingswerkers vereist dat zij vanaf 18 mei 2020 allemaal onder het toepassingsgebied van koninklijk besluit nr. 22 vallen.

In zijn advies nr. 67.630/1 betreffende het onderzoek van het ontwerpbesluit vraagt de Raad van State dat het niet mee opnemen van occasionele diensten tussen burgers, bedoeld in artikel 20 van voormelde wet van 18 juli 2018, gerechtvaardigd wordt in het licht van het gelijkheidsbeginsel. Het doel van het koninklijk besluit nr. 22 was dat er zowel maatregelen werden genomen om de goede werking van vrijwilligersorganisaties te waarborgen, die met name optreden om de bescherming van de bevolking te garanderen, als maatregelen ter ondersteuning van de vrijwillige inzet van deze personen ten behoeve van de bevolking in zijn geheel. Aangezien de beginselen die van toepassing zijn op diensten tussen burgers niet gericht zijn op diensten aan de gemeenschap, zoals de andere categorieën van personen die onder het toepassingsgebied van koninklijk besluit nr. 22 vallen, is het opnemen van dergelijke diensten niet in overeenstemming met de doelstellingen van dat besluit. Het onderscheid dat in dit verband wordt gemaakt tussen verenigingswerkers en occasionele dienstenverrichters aan burgers berust op een objectief criterium en is redelijk verantwoord.

Het tweede betreft de verlenging van de compensatieregeling sui generis die in het kader van het COVID-19 Vrijwilligersfonds is ingesteld tot en met 31 augustus 2020. Het huidige artikel 30, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 22 bepaalde aanvankelijk dat "de Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, deze termijn verlengen zonder dat deze langer mag duren dan de periode waarin hij de hem door de wet van 27 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) verleende machtiging mag uitoefenen".

Artikel 2 van het aan u voorgelegde ontwerp verlengt de toepassing van de periode waarin de sterfgevallen die zich hebben voorgedaan, in aanmerking worden genomen voor de tussenkomst van het Fonds en heft bijgevolg de mogelijkheid van de Koning om deze periode te verlengen op.

In zijn advies nr. 67.630/1 betreffende het onderzoek van het ontwerpbesluit wijst de Raad van State erop dat de elementen op basis waarvan de nieuwe einddatum van de toepassingsperiode van het koninklijk besluit nr. 22 is vastgesteld, niet in dit verslag zijn opgenomen. In dit verband moet worden opgemerkt dat de verlenging van de maatregel van 30 juni tot en met 31 augustus 2020 in overeenstemming is met vele andere maatregelen die in de context van de gezondheidscrisis zijn genomen in het licht van de ontwikkeling van de situatie die door de COVID-19-pandemie is ontstaan. Bovendien rechtvaardigt de zomervakantieperiode, in combinatie met een hoger absenteïsme en meer uitgebreid telewerken, nog steeds het belang van de betrokkenheid van vrijwilligers in een zeer groot aantal activiteitensectoren in deze periode, die nog steeds zeer delicaat is.

Ik heb de eer te zijn,

Sire,

Van Uwe Majesteit,

de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,

De Minister van Sociale Zaken,

M. DE BLOCK

RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving

Advies 67.630/1, van 23 juni 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit nr. 40 "tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19 slachtoffers"

Op 16 juni 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Sociale Zaken verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit nr.40 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers'.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 18 juni 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Wouter PAS, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Wim GEURTS, griffier.

De verslagen zijn uitgebracht door Jonas RIEMSLAGH, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried VAN VAERENBERGH, staatsraad.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 23 juni 2020.

1. Met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 'die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)', waarin verwezen wordt naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Dat onderzoek geeft slechts aanleiding tot de hierna volgende opmerkingen.

2. Artikel 1 van het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe de toepassing van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 'tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers' uit te breiden tot alle activiteiten die door een verenigingswerker in de zin van artikel 2 van de wet van 18 juli 2018 'betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie', overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van die wet, kunnen worden uitgevoerd. Die uitbreiding van het toepassingsgebied wordt in het verslag aan de Koning verantwoord door te verwijzen naar "de opheffing, sinds 18 mei 2020 van een belangrijke reeks beperkingen die aan de bevolking waren opgelegd in het kader van de lockdown".

Rekening houdend met die verantwoording, rijst de vraag of het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 22 niet eveneens moet worden uitgebreid tot het verrichten van occasionele diensten tussen burgers, bedoeld in hoofdstuk 2 van de voornoemde wet van 18 juli 2018. Naar aanleiding van het onderzoek door de Raad van State, afdeling Wetgeving, van het ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit nr. 22, werd immers het niet opnemen van het verrichten van occasionele diensten in het toepassingsgebied van dat besluit door de gemachtigde verantwoord door erop te wijzen dat "ces activités figurant parmi les activités actuellement interdites en raison des mesures de confinement, il n'y a pas lieu de les reprendre". In zoverre evenmin met het voorliggende ontwerp bedoelde diensten onder het toepassingsgebied van het voornoemde besluit worden gebracht, dient daarvoor in het licht van het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel thans een andere dan de hiervoor aangehaalde verantwoording voorhanden te zijn, nu de ingeroepen verantwoording voor de uitbreiding van het toepassingsgebied ook op de voornoemde diensten kan worden betrokken.

3. Ingevolge artikel 2 van het ontwerp zal het koninklijk besluit nr. 22 van toepassing zijn "op sterfgevallen die zich voordoen in de periode tussen 10 maart 2020 en 1 september 2020". In het bij het ontwerpbesluit gevoegde verslag aan de Koning wordt niet toegelicht op basis van welke elementen deze nieuwe einddatum is vastgesteld.

Het staat de regelgever in beginsel vrij om het toepassingsgebied van een regeling in de tijd te beperken. Het gelijkheidsbeginsel vereist in dat geval evenwel dat het gecreëerde onderscheid, tussen gevallen die wel en niet onder het toepassingsgebied vallen, op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.

De Raad van State, afdeling Wetgeving, beschikt in het kader van onderhavige adviesaanvraag niet over de vereiste feitelijke gegevens om de datum van 1 september 2020 in dit opzicht te beoordelen. Wel kan alvast worden opgemerkt dat erover gewaakt zal moeten worden dat die datum ook in het licht van de verdere evolutie van de situatie die aanleiding geeft tot de genomen maatregel aan de zo-even geschetste beginselen beantwoordt.

DE GRIFFIER

Wim GEURTS

DE VOORZITTER

Marnix VAN DAMME

26 JUNI 2020. - Koninklijk besluit nr. 40 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers

FILIP, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 27 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), artikel 5, § 1, 3° en 5°;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;

Overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van de wet van 27 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), is dit besluit vrijgesteld van adviesverplichting gezien de hoogdringendheid gemotiveerd door de COVID-19-pandemie;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 juni 2020;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 11 juni 2020;

Overeenkomstig artikel 8, § 2, 2°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse gezien de hoogdringendheid gemotiveerd door het gezondheidsrisico dat het coronavirus COVID-19 met zich meebrengt;

Gelet op het advies nr. 67.630/1 van de Raad van State, gegeven op 23 juni 2020, met toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);

Overwegende de omstandigheid dat, als gevolg van de crisis gerelateerd aan de COVID-19 pandemie, het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers dringend moet aangepast worden naar aanleiding van de recente evolutie van de lockdown maatregelen in toepassing van het ministerieel besluit van 15 mei 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken;

Op de voordracht van de Minister van Sociale zaken en op het advies van de in Raad vergaderde ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. In artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers worden de woorden "die één van de activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, 8., 16. en 17., van dezelfde wet uitoefent" opgeheven.

Art. 2. In artikel 30 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen als volgt:

"Dit besluit is van toepassing op sterfgevallen die zich voordoen in de periode tussen 10 maart 2020 en 1 september 2020."

Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 18 mei 2020.

Art. 4. De minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 26 juni 2020.

FILIP

Van Koningswege :

De Minister van Sociale Zaken,

M. DE BLOCK